In gesprek met de Constructeur van het Jaar

Op 2 november zijn tijdens Building Holland de nieuwe Constructeur en Talent van het Jaar 2021 bekendgemaakt door juryvoorzitter Noortje de Geus. Ook werd, voor het eerst in de 10-jarige historie van de verkiezing, een oeuvreprijs uitgereikt. Walter Spangenberg, die recent na 35 jaar afscheid nam van ABT, kreeg deze waardering voor zijn jarenlange bijdrage aan zijn bedrijf, het constructeursvak en de iconische gebouwen die hij hielp realiseren.

Na de bekendmaking van de winnaars -Mathew Vola (Arup) als Constructeur van het Jaar 2021 en Joris Hesselink (BAM Advies en Engineering) als Talent- ging Walter in gesprek met hen, met de winnaars van vorig jaar (Arjan Habraken-SIDstudioen Marijn Bruurs-Witteveen+Bos), de runner-up bij de Talenten Rick Titulaer (Arup) en met juryvoorzitter Noortje de Geus.

Verkiezing
Als eerste lichtte Noortje de Geus het jureringsproces toe. Dat begint elk jaar met een dialoog over de aanpak. De criteria voor de Constructeur van het Jaar zijn bekend, maar worden elk jaar tegen het licht gehouden: “dit jaar hebben we het thema constructieve veiligheid in alle vier de criteria extra aangescherpt. We sluiten daarmee aan op de maatschappelijke actualiteit en de ontwikkelingen in de sector”. De juryleden geven vervolgens een eerste individuele score aan de kandidaten, zonder overleg en beïnvloeding vooraf. Deze scores zijn de start van het gesprek binnen de jury, waarin argumenten worden uitgewisseld. Tenslotte volgt de weging. Dat levert soms diepgaande en interessante dialogen op, zoals dit jaar het geval was bij het Talent van het Jaar.

Zichtbaarheid en erkenning
De constructeur heeft een cruciale rol in het bouwproces. De  verkiezing Constructeur van het Jaar heeft tot doel de toegevoegde waarde van de constructeur beter zichtbaar te maken voor alle betrokken partijen, en zo tot herkenning en erkenning van zijn rol te komen. Joris Hesselink, vooral actief in de uitvoeringsfase, als ontwerper van tijdelijke constructies: “Mijn verkiezing kwam als een totale verrassing, maar ik zie deze zeker als een belangrijke erkenning voor dit specifieke deel van de beroepsgroep. Tijdelijke constructies zijn vaak cruciaal voor de maakbaarheid van een complex bouwwerk. Het ontwerpen daarvan vraagt veel, en het is echt een andere wereld”.

Walter Spangenberg constateert dat aan het gesprek drie communicatief zeer vaardige jonge constructeurs deelnemen. Dat helpt om het vakgebied meer aanzien te geven, maar er zijn nog wel veel ‘grijze muizen’.

Marijn Bruurs, verkozen tot Constructief Talent in 2020: “Deze titel en het podium dat je daarmee krijgt heeft mij enorm geholpen om mijn kennis te kunnen delen. Ik voel het ook als een verantwoordelijkheid om mijn visie uit te dragen”. Arjan Habraken onderschrijft dit. Het naar buiten brengen van je visie is cruciaal, ook ter inspiratie van jongeren. Van Habraken mag dit in de opleidingen nog meer gestimuleerd worden. Zelf vult hij dat als docent aan de TU Eindhoven actief in. “Ik vind het belangrijk naast de inhoud ook de persoon te helpen vormen. Ik zeg dan ook vaak: we gaan het nu even over jou hebben”.

Ontwikkelingen in het vak; de constructeur als alleskunner?
Rick Titulaer, runnner-up bij de talenten, houdt zich juist vooral bezig met het ontwerp van de gebouwen zelf. Hij richt zich op de digitalisering en met name het automatiseren van ontwerpprocessen. Op de vraag van Walter of hij niet een tweedeling ziet ontstaan binnen de beroepsgroep door de digitalisering, antwoordt hij ontkennend: “Integendeel. Toen ik zes jaar geleden bij Arup begon, moesten we wel een aantal mensen overhalen, maar door veel aandacht te besteden aan de mogelijkheden en de randvoorwaarden, ziet iedereen nu de voordelen”. Arjan Habraken vult hem aan. “Beide aspecten van het vak zijn nodig, er blijft behoefte aan traditioneel ontwerpen en rekenen. Mensen zullen zeker hun voorkeuren hebben, maar vullen elkaar dan prima aan”.

Naast de digitalisering, die een heel snelle vlucht neemt, zien we dat veel meer aspecten relevant worden. Zo vragen verduurzaming en energietransitie meer en andere kennis. Wat betekent dit voor de constructeur, kan je alles wel blijven overzien? Rick TItulaer: “Ik denk dat je op een gegeven moment wel moet specialiseren.” De ontwikkelingen gaan te snel en het zijn er te veel om alles te doen. “Je moet er wel voldoende van weten, maar je hoeft niet alles zelf te kunnen”. Voor Walter Spangenberg is dat één van zijn grote zorgen: hoe houdt je voldoende gevoel voor het geheel, zitten er voldoende controles in? Mathew Vola stelt dat dit geen nieuwe discussie is. Ook bij de introductie van bijvoorbeeld EEM-berekeningen of  de overgang naar 3D-tekenen speelde dit al. “De kerncompetentie van een constructeur of adviseur is zijn kritische beoordelingsvermogen. Je moet zeker weten dat je advies goed is. Niet de computer als een black box gebruiken. Dan vullen Human en Artificial Intelligence elkaar aan.  En dus moet je je als adviseur continu blijven ontwikkelen”.

Tegelijkertijd moet je leren loslaten. Mathew Vola schetst dat Arup als bureau begonnen is als constructief specialist. Dat blijft de kern, maar om als bureau en als adviseur relevant te blijven moet je verbreden. Doe je dat niet, dan kan je op termijn alleen nog maar op prijs concurreren.

De winnaars van 2020, 2021 en de jury

Duurzaamheid en veiligheid als dragers
Het gesprek komt als vanzelfsprekend op de grote ontwikkelingen in de maatschappij. De wereld verandert, en de snelheid van de verandering is exponentieel. Mathew Vola: “We staan op veel aspecten op een tipping point”. De tafelgenoten ervaren dat als een grote verantwoordelijkheid. Hoewel ze wel eens droevig worden van de berichtgeving in de media, geven ze ook aan ook positieve kanten te zien. Mede onder invloed van Corona en thuiswerken gaan we anders aankijken tegen de sociale aspecten, en dat kan snel gaan. De hoop is dat in het denken en handelen over duurzaamheid ook zo’n ontwikkeling op gang komt: “De bouw is verantwoordelijk voor 40% van de uitstoot. Dat ziet de maatschappij, de burger, de consument ook. Het traditionele proces, met traditionele producten en de kaasschaafmethode gaan ons niet helpen. Sommen kan je niet verkopen aan de consument”.

Mathew Vola tijdens de uitreiking

Mathew Vola gaat een stap verder en zegt: “Form follows function is een bekende uitspraak van Louis Sullivan, die ons denken als ontwerper in de afgelopen eeuw heeft bepaald. We moeten toe naar form follows sustainability als basis voor  het ontwerp- en bouwproces van de toekomst”.

Van de kaasschaaf af, dus. Dat begint bij de uitvraag. En dat is absoluut een uitdaging. De politieke druk om te leveren (o.a. woningnood) is wel heel hoog. Er zijn zeker goede voorbeelden; zo noemt Marijn een ontwikkeling van 8000 woningen in Amsterdam waarbij de constructief adviseur vroegtijdig betrokken wordt om mee te denken. Tegelijkertijd constateert hij een beweging van de andere kant: “veel jonge mensen willen werken bij bedrijven die duurzaamheid serieus nemen en in de praktijk brengen. Dat gaat in de hele keten zijn effect hebben”.

Op de insteek van Mathew Vola (form follows sustainability) wordt door de tafelgenoten enthousiast gereageerd en Mathew wordt aangemoedigd om als ambassadeur deze boodschap verder uit te dragen, de tafelgenoten zijn bereid daarbij te helpen. De constructeur positioneert zich hiermee ook direct in het proces.

Spangberg met zijn Oeuvreprijs

Veiligheid is naast duurzaamheid het andere grote, actuele thema dat aan de orde komt. Inspelend op de constateringen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, brengt Walter Spangenberg de versnippering op tafel. “Hoe hebben we het borgen van veiligheid met elkaar geregeld? Snappen opdrachtgevers het nog? Wie kan en wil de rol van ‘coördinerend constructeur pakken?” Joris Hesselink is de eerste die reageert. Hij geeft aan dat opdrachtgevers onvoldoende inzicht hebben in wat ze nu eigenlijk precies in opdracht geven. Kruisjeslijsten, zoals in de DNR-Stb of, of de KIWA-criteria voor beton helpen niet om daar echt over na te denken en onderbouwde besluiten te nemen. Het goede gesprek daarover vindt niet altijd plaats, in ieder geval niet voordat de contracten worden getekend. Arjan Habraken stelt: “het verantwoordelijkheidsgevoel van de constructeur voor veiligheid is heel groot, zeker als je zelf de berekeningen maakt. We maken altijd een nette aanbieding vanuit die insteek, maar je wilt wel die opdracht binnenhalen. Soms kom je dan tot de conclusie dat je meer moet doen dan in de opdracht zit.. Als ik opdrachtgevers wel eens vertel wat ik in projecten allemaal doe om naast een mooi en duurzaam ook een veilig gebouw te realiseren, dan kijken ze me verbaasd aan. Ze weten het vaak gewoon niet”. Mathew verwijst naar de zogenaamde Constructeursziekte, het verantwoordelijkheidsgevoel van constructeurs voor de veiligheid en de angst dat er iets mis kan gaan. Dit wordt extra geprovoceerd als zij hun werk onder te hoge druk en voor een te lage prijs moeten uitvoeren. Hoewel het vaccin voor deze ziekte nog niet gevonden is, is wel duidelijk dat hier een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de opdrachtgevers en de beroepsgroep ligt. Wellicht dat de coördinerend constructeur nieuwe stijl daaraan kan bijdragen. “Maar bovenal”, zo sluit ook juryvoorzitter èn opdrachtgever Noortje de Geus (Ingenieursbureau Den Haag) af, “moeten we als opdrachtgevers, ontwerpers en uitvoerende partijen hierover structureel met elkaar in gesprek blijven. We leggen de lat hoog maar willen daar samen invulling aan geven”.

Deel deze pagina

Scroll naar boven