Een half jaar geleden volgde Ronald Wenting Pim Peters op als vertegenwoordiger van NLingenieurs en VNconstructeurs bij de Beleidscommissie Milieuprestatie Nederland (BMNL) van de Nationale Milieudatabase (NMD). In dit gesprek kijkt Wenting terug op zijn eerste periode bij de BMNL-commissie en licht hij alvast een tipje van de beleidssluier: “De komende jaren liggen er enkele grote veranderingen in het verschiet op het gebied van duurzaamheid voor de constructeur, maar ook voor de bredere bouwwereld.”
Voor Wenting voelt zijn rol binnen de BMNL als een logische stap in zijn loopbaan. Hij werkt al 25 jaar bij ABT als senior adviseur, en zijn dubbele achtergrond in constructies én architectuur stelt hem in staat om ontwerpkeuzes van meerdere kanten te benaderen.
Dat brede perspectief komt goed van pas in de BMNL-commissie, waar achttien partijen uit de bouwsector samenkomen (onderverdeeld in opdrachtgevers, producenten en gebruikers van data) om eenduidig advies te geven over de bepalingsmethode milieuprestatie bouwwerken en inhoudelijke aspecten van het NMD-stelsel. “Duurzaamheid maakt het ontwerpen alleen maar leuker en uitdagender voor mij. Ik wilde daar heel graag nog een stap verder in gaan door ook beleidsmatig bij te dragen,” vertelt Wenting enthousiast. Zijn eerder opgedane bestuurservaring bij innovatieplatform Boosting helpt hierbij, maar het blijft een nieuwe rol. “Ik zit er niet namens ABT, maar namens de hele beroepsgroep. Dat vraagt een bredere blik. Gelukkig heb ik goede ruggespraak met de duurzaamheidswerkgroepen van VNconstructeurs en NLingenieurs.”
De rol in de BMNL-commissie heeft Wenting een nieuw perspectief op de sector gegeven. “Als ingenieur wil je vaak snel vooruit. Maar in de commissie zie je hoe groot het speelveld is: brancheorganisaties, producenten, opdrachtgevers, politiek. Het is boeiend om te zien hoe beleid tot stand komt en hoe je daar als beroepsgroep invloed op kunt uitoefenen.”
Geharmoniseerde duurzaamheidsmethodiek
Met de introductie van een Europese geharmoniseerde duurzaamheidsmethodiek staat de regelgeving voor grote veranderingen. “Veel constructeurs weten nog niet dat dit eraan komt,” zegt Wenting. “Maar dit gaat het werk echt raken. We zitten midden in een materialentransitie en de constructeur heeft invloed op ongeveer 50 procent van de materialen in een gebouw. Dat betekent dus ook 50 procent van de milieu-impact.”
Hierbij zijn twee ontwikkelingen bepalend. Op productieniveau de speelt de CPR (Construction Products Regulation) een grote rol, de Europese wetgeving die duurzaamheidseisen aan bouwproducten verplicht stelt. Dit zorgt voor een brede beschikbaarheid van Europese milieudata.
En op gebouwniveau de WLC-GWP (Whole Life Cycle – Global Warming Potential), een richtlijn die voorschrijft dat de CO₂‑uitstoot over de volledige levenscyclus van gebouwen moet worden berekend. Hierbij wordt gekeken naar operationele emissies (energieverbruik) en materiaalgebonden emissies.
Routekaart naar 2030
De Nationale Milieudatabase (NMD) werkt op dit moment aan de nieuwe bepalingsmethode voor WLC-GWP. “Medio 2026 zal de definitieve rekenmethodiek voor de WLC-GWP gepubliceerd worden,” legt Wenting uit. “Maar deze publicatie is pas de eerste stap op weg naar de nieuwe regelgeving.”
Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) heeft samen met de NMD een routekaart uitgestippeld om de implementatie zo soepel mogelijk te maken. Die routekaart werkt toe naar 2030, wanneer de bepalingsmethodiek wettelijk van kracht gaat. In 2027 volgt eerst de ontwikkeling en validatie van de software-instrumenten en in 2028 gaat er een rekenplicht in voor gebouwen groter dan 1000 m². Rond 2029 worden de CO₂‑grenswaarden vastgesteld.
Die grenswaarden zijn uiteindelijk een politiek besluit. “Je wilt de gebouwde omgeving verduurzamen, maar je moet ook rekening houden met de grote woningbouwopgave die we hebben en betaalbaarheid. Dat maakt het een spanningsveld,” legt Wenting uit.
“Ik hoop dat de lat hoog komt te liggen, zodat we scherpe keuzes móéten maken en worden gedwongen tot vernieuwende inzichten en doorbraken”.
De Nationale Milieudatabase
Een ander belangrijk aandachtspunt binnen de commissie is de Nationale Milieudatabase zelf. Volgens Wenting is het huidige systeem nog niet volwassen genoeg om innovaties goed te waarderen. “Er zijn bijvoorbeeld te weinig milieukaarten voor beton. Daardoor kun je innovatieve oplossingen niet goed doorrekenen en worden ze niet beloond. Dat remt de verduurzaming.” De duurzaamheidswerkgroep van VNconstructeurs, waar Wenting nauw contact mee heeft, pleit daarom voor meer en betere kaarten. “De NMD beheert de kaarten, maar de sector moet ze aanleveren. Dat moet echt worden gestimuleerd.”
Vooruitkijken
Ondanks de complexiteit van de nieuwe regelgeving is Wenting ervan overtuigd dat constructeurs nu al stappen kunnen zetten. “Het begint bij een bewuste omgang met materialen. Je kunt vandaag al slanker ontwerpen, losmaakbaarheid toepassen, bouwdelen en materialen hergebruiken, duurzame constructiematerialen inzetten en alternatieven verkennen. Je hoeft echt niet te wachten tot de rekenmethodiek verplicht wordt.”
De komende jaren worden bepalend voor de manier waarop de bouwsector met duurzaamheid omgaat. Wenting ziet het als zijn missie om constructeurs bewust te maken van hun rol. “We hebben als beroepsgroep een enorme impact op de gebouwde omgeving. Het is belangrijk dat we die verantwoordelijkheid nemen en proactief meebewegen.”
Rond de publicatie van de nieuwe rekenmethodiek in 2026 volgt meer informatie. “Dan weten we precies hoe we moeten gaan rekenen. Daarnaast is het afwachten op de bepaling van de CO₂‑grenswaarden. Dat wordt een belangrijk moment voor de sector.”
Deel deze pagina
Meer weten over dit onderwerp?
![]() | Nils Roovers |


